Wet discrimineert lesbiennes nog steeds

Als een heteroseksueel echtpaar in ons land met behulp van een zaaddonor een kindje krijgt, bijvoorbeeld omdat de man onvruchtbaar is, dan stapt de echtgenoot op de fiets naar het gemeentehuis en doet geboorteaangifte. Het juridisch ouderschap is dan direct goed geregeld.

Als een lesbisch echtpaar met behulp van een zaaddonor een kindje krijgt, moeten ze een adoptieprocedure bij de rechter voeren om de juridische band met hun kindje goed te regelen. Dat kost ongeveer drie maanden en tweeduizend euro. Het is emotioneel belastend: veel lesbische paren ervaren de procedure als een ‘gerechtelijke goedkeuring’ van hun moederschap. Bovendien kan de huidige wet er toe leiden dat het kindje achterblijft zonder juridisch ouder als de geboortemoeder overlijdt voordat de adoptie is voltooid.

Dat noemen we ‘discriminatie’: ongelijke behandeling van lesbische ouderparen en hun kinderen.

Het COC pleit al sinds 2001 voor gelijke rechten voor lesbische ouders. Voormalig Justitieminister Donner (CDA) hield dat lange tijd tegen. Hij wilde steeds weer onderzoek naar de juridische voor- en nadelen. Er kwamen twee lijvige rapporten waarin geconcludeerd wordt dat er geen juridische- of andere bezwaren zijn tegen gelijke rechten voor lesbische ouderparen.

Daarom schreef staatssecretaris Teeven (Justitie) in 2011 een wetsvoorstel dat de gelijkberechtiging regelt. De Tweede Kamer nam dat voorstel vorig jaar in grote meerderheid aan. Bovendien beloofden alle politieke partijen – behalve CDA, SGP en ChristenUnie –in het ‘Roze Stembusakkoord’ om de kwestie vóór september 2013 te regelen.

Het is nu juni 2013 en het wetsvoorstel ligt al weer 8 maanden bij de Eerste Kamer. Ondanks alle eerdere onderzoeken, wil een aantal senatoren, onder aanvoering van CDA en SP, nóg meer onderzoek naar de juridische merites van lesbisch ouderschap. Men organiseert daarom op 18 juni een heuse hoorzitting. En weer is het de vraag of het wetsvoorstel de eindstreep haalt.

Wat zit de Eerste Kamerleden eigenlijk dwars?
De vraag die de senatoren het zwaarst op de maag lijkt te liggen, is een definitiekwestie: kunnen we het ouderschap van lesbische vrouwen wel onderbrengen bij de wetsartikelen die gaan over ‘afstamming’? Horen biologische afstamming en juridische afstamming niet altijd samen te vallen? Twee vrouwen kunnen toch niet samen een kindje krijgen? Moeten we voor lesbische paren en hun kinderen niet een ‘aparte regeling’ schrijven?

De parallellen met de discussie rond de openstelling van het huwelijk zijn opmerkelijk. Ook toen waren de vragen: Is het wel ‘natuurlijk’ dat mensen van hetzelfde geslacht met elkaar kunnen trouwen? Kunnen we voor homoparen niet een ‘aparte regeling’ maken, in plaats van het huwelijk open te stellen?

Het antwoord is wat ons betreft glashelder: net zoals we zelf bepalen wie er in ons land met elkaar kunnen trouwen, bepalen we zelf hoe we ons afstammingsrecht inrichten. De vraag of een kind kan afstammen van een niet-biologische ouder, heeft de wetgever al beantwoord: als een heteroseksueel echtpaar met hulp van een zaaddonor een kindje krijgt, worden de beide echtgenoten ouder van dat kind, ook als de man niet de biologische vader is. Het enige wat we vragen is dat dat ook gaat gelden voor lesbisch echtparen.

Bijna dagelijks ontvangt het COC berichten van lesbische gezinnen die vragen wanneer dit wetsvoorstel nou eindelijk in werking treedt. Ze zien op tegen de adoptieprocedure en willen gelijk behandeld worden. Namens die lesbische ouderparen vragen we de Eerste Kamer: neem de wet snel aan. De wet is er om de mens te dienen, niet andersom.

Tanja Ineke, voorzitter COC Nederland
Philip Tijsma, voorzitter COC’s Landelijke Werkgroep Politiek

Eerder deze week deed COC al een oproep voor het sturen van een mail naar de eerste kamer. Meer informatie hierover vind je op hun website.

(Bron: Het Parool/COC.nl)

This entry was posted in Nieuws and tagged , . Bookmark the permalink.

Reageren